Angst voor spinnen is erfelijk

Geef je een kind een lijst van dingen waar ze bang voor zijn, dan geven de meesten gebeurtenissen als ‘niet ademenen’, ‘overreden worden’ of ‘bomaanslagen’ aan. Maar wanneer je een vrije optie openhoudt voor een andere angst, dan schrijven zowel jongens als meisjes ‘spinnen’ als hun grootste angst op. Hoe komt die angst nu eigenlijk tot stand?

Niet door een trauma die zich in het verleden voordeed. Een groep psychologen aan de City University London ondervroegen 118 personen over hun arachnofobie of angst voor spinnen. Van de 75 procent die bang was van het beest, bleek dat de meesten van het vrouwelijke geslacht waren. Maar het belangrijkste resultaat van de interviews, was dat hun angst niet te wijten zou zijn aan een specifieke gebeurtenis.



Ook niet door een evolutionaire geschiedenis die op ons overlevingsinstinct inspeelt door het gevaar van een spinnenbeet te benadrukken. Uit ondervragingen bleek dat het niet zozeer de tanden, maar wel de poten van het dier waren die zouden afschrikken. De manier waarop de beesten bewegen, bezorgt velen kriebels.

Wel door genetische factoren. John Hettema, een psycholoog aan het Virginia Institute for Psychiatric and Behavioural Genetics voerde een tweelingenstudie uit om te bepalen wat de rol van erfelijkheid is in arachnofobie. De proefpersonen die ze in hun experiment aanwendden, waren identieke tweelingen. Zij hebben hetzelfde DNA, maar hun omgeving is meestal verschillend wanneer ze ouder worden. Hettema registreerde de reacties van de tweelingen op “angstige” beelden zoals foto’s van spinnen of slangen en bekeek daarna wat hun reactie was op afbeeldingen van gewone voorwerpen zoals cirkels en driehoeken.

Deze analyse maakte meteen duidelijk dat de tweelingen eenzelfde reactie vertoonden op het zien van de illustraties en dat deed Hettema besluiten dat genetische invloeden een substantieel onderdeel zijn van de angst voor spinnen. Dat zou dus betekenen dat arachnofobie erfelijk en overdraagbaar zou zijn, eerder dan iets irrationeels dat psychologisch te verklaren valt.

Een experiment uitgevoerd op muizen bevestigt de genetische invloed. Muizen werden getraind om een hekel te krijgen aan de geur van kersenbloesem. Nadat deze dieren nakomelingen hadden gekregen, bleek dat de kleintjes bij hun eerste confrontatie met de geur eenzelfde angst hadden.