Voorgeproefd: Cécile

Djibril is elf en droomt van de wereld buiten zijn kleine dorp in het diepe zuiden van Marokko. Door zijn nieuwsgierigheid en zijn kinderlijk enthousiasme krijgt zijn leven een onverwachte wending. Niet alleen zijn eigen leven wordt door deze schokkende gebeurtenis overhoopgehaald, ze heeft ook een invloed op het leven van zijn familie en van een aantal mensen die hij nooit eerder heeft ontmoet. Het enige wat Djibril nog verbindt met zijn zonovergoten geboorteplaats zijn de kleren die hij droeg en een verhakkelde foto die toebehoorde aan zijn oudere broer Kareem. Een onduidelijke krabbel op die foto leidt hem naar een adres in Parijs, waar hij kennismaakt met de jonge vrouw Cécile.

Een voor een stond iedereen in huis op. Ze woonden met zijn zevenen onder één dak, op een handvol vierkante meters, maar naar de normen van het dorp waren ze royaal behuisd. Van elkaar gescheiden door muren van ruwe steen sliepen ze op handgemaakte wollen tapijten, lakens en kussens die over de betonnen vloer uitgespreid waren. Djibril sliep in hetzelfde vertrek als zijn broers en schoonzussen, zijn ouders hadden een kleine kamer voor zichzelf.



Het was nu volop ochtend en het eerste waar een lichaam dat ontwaakte in het diepe Zuiden naar snakte, was fris bronwater om de plakkerige warmte van de nacht weg te spoelen. Geduldig wachtten ze elk hun beurt af om naar de buitenbadkamer te gaan – de zoons na hun vader, de vrouwen na hun echtgenoot. Die badkamer was een hokje met vier houten wanden van krap anderhalve meter hoog, waardoor een volwassene noodgedwongen aan ochtendgymnastiek moest doen als hij zich discreet wilde wassen. Djibrils vader sloeg de deur van het hokje met een klap achter zich dicht; net als iedere dag had hij een vreselijk ochtendhumeur. Water bracht daar gewoonlijk verandering in, maar vandaag trof hij twee lege emmers aan.

Een uur voordat zijn vader onthutst vaststelde dat zijn vrouw geen water had gehaald, was Djibril van huis gegaan. Hij had twee emmers gepakt en het stoffige, verlaten pad naar de bron genomen dat met ontelbare steentjes bezaaid was. In een normaal tempo deed je er ongeveer een halfuur over om bij Tawhelt te komen, maar Djibril rende zo hard hij kon – hij was snel en deed zijn best om nog sneller te worden. In de verte verraadden palmbomen en groene struiken de plaats van de kleine waterval waar veel gezinnen hun water haalden. Het weggetje waarop hij voortsjeesde was niet ongevaarlijk, er staken wel eens slangen of schorpioenen over, maar daar zat Djibril niet over in. Hij dacht alleen aan zijn doel, zijn bestemming.

Bij de oase aangekomen liep hij niet rechtstreeks naar de bron, die onder de koele beschutting van de bomen lag. In plaats daarvan sloeg hij een weggetje in dat naar boven voerde, de met palmbomen begroeide heuvel op – met veel fantasie kon je het een berg noemen – vanwaar hij een prachtig uitzicht over de oase had. Dat was zijn route, en het was ook die van zijn zus geweest. De wankele rotsen waartussen slangen huisden en de prikkende palmbladeren onder zijn voeten maakten de beklimming tot een hachelijke onderneming, maar niets kon op tegen Djibrils honger naar avontuur, een honger die te groot was voor de kleine jongen die hij was.

Hij keek naar de wereld met de argeloze ogen van een elfjarige: wat voor anderen gevaarlijk was, vond hij spannend, opwindend. Hij zag nergens kwaad in, niet in de mensen, niet in de natuur. Hij werd voortgedreven door de drang om alles te weten over alles wat hij zag. En hij was koppig, want hij moest zich drie keer bezeren voor hij wilde toegeven dat in een palmboom klimmen pijnlijk kon zijn. Het leven was één groot spel voor hem – een spel waardoor hij vaak in de problemen kwam, want zijn onschuldige hang naar avontuur werd door de rest van het dorp afgedaan als slecht gedrag.

Uiteindelijk klom hij op een overhangende rots. Hij ademde diep in en keek met een glimlach neer op de moeders en dochters die beneden bij de bron hun emmers vulden. Zijn blik gleed over de rotsen vanwaar hij zijn vorige duikrecords gevestigd had. Vandaag was hij hoger geklommen dan ooit tevoren, met nog maar één rots boven hem, een paar meter bij hem vandaan – net onder de wolken, leek het wel.

Hij boog zijn knieën, krulde zijn tenen om zijn plastic sandalen en duwde zich af, met alle kracht die hij in zich had. Hij viel snel. Snel genoeg om te horen hoe zijn lichaam de stille lucht in beweging bracht, maar niet snel genoeg om de fluittoon te horen die zijn oudere broers hem beschreven hadden. Een paar ogenblikken later sloot de gedempte akoestiek van het water zich als een hand om hem heen. Djibril belandde in het soort stilte dat alleen onder water bestond, een stilte waarin hij het ritme van zijn eigen hart kon horen, waarin hij besefte dat iets in zijn borst onvermoeibaar klopte. In een tel maakte de roes van de adrenaline plaats voor een intens gevoel van vreugde. Hij genoot van iedere seconde dat hij daarbeneden was, en het moment waarop hij noodgedwongen terug naar boven moest, kwam altijd te vroeg.

Ish Ait Hamou, Cécile, Manteau, 320 p., 19,99 euro

Metro schenkt tien exemplaren van dit boek weg via onze wedstrijdpagina.