Voorgeproefd: Het meisje in de trein

Rachel neemt elke ochtend dezelfde trein. Elke dag hobbelt ze over het spoor, langs een rij charmante huizen in een buitenwijk van Londen, en stopt daar altijd voor hetzelfde rode sein. Zo kijkt ze elke ochtend naar een stel dat op hun terras ontbijt. Ze heeft inmiddels het gevoel dat ze hen persoonlijk kent. Op een dag ziet ze iets vreemds in hun tuin. De trein rijdt gewoon weer door, maar voor Rachel verandert alles.

Vrijdag 5 juli 2013



Ochtend

Er ligt een stapel kleren naast het spoor. Lichtblauwe stof – misschien een shirt – op een hoop gegooid met iets vuilwits. Waarschijnlijk afval, deel van een lading die stiekem in het miezerige bosje naast het spoor is gedumpt. Het kan zijn achtergelaten door de baanwerkers die aan dit deel van het spoor werken, die zijn hier vaak genoeg.

Of het is iets anders. Mijn moeder zei vroeger altijd dat ik een veel te levendige fantasie had; Tom zei dat ook. Ik kan het niet helpen: zodra ik die weggegooide vodden zie, een smerig T-shirt of een eenzame schoen, kan ik aan niets anders denken dan aan die andere schoen, aan de voeten die in die schoenen pasten.

De trein komt schokkend, schrapend en piepend weer in beweging, het hoopje kleren verdwijnt uit zicht en met het vaartje van iemand die stevig hardloopt rollen we verder richting Londen. Iemand op de stoel achter me slaakt een zucht van onbeholpen irritatie; de stoptrein van 8.04 uur van Ashbury naar Euston kan het geduld van zelfs de meest ervaren forens behoorlijk op de proef stellen. De reis wordt geacht 54 minuten te duren, maar dat is zelden het geval: dit deel van de spoorbaan is oeroud, versleten, er zijn voortdurend problemen met de seinen en er wordt onophoudelijk aan de rails gewerkt.

De trein kruipt verder; hij schommelt langs pakhuizen en watertorens, bruggen en loodsen, voorbij eenvoudige Victoriaanse huizen, die het spoor nadrukkelijk hun rug toekeren.

Met mijn hoofd tegen het raampje geleund kijk ik hoe deze huizen langs me heen schuiven als een tracking shot in een film. Ik zie ze zoals niemand anders ze ziet; zelfs hun eigenaars zien ze waarschijnlijk niet vanuit dit perspectief. Tweemaal per dag krijg ik heel even een inkijkje aangeboden in andermans leven. Het heeft iets troostend om onbekenden veilig thuis te zien zitten.

Iemands telefoon gaat over, een uit de toon vallend vrolijk, opgewekt melodietje. Er wordt niet snel opgenomen en het blijft maar om me heen rinkelen. Ik voel hoe mijn medereizigers op hun plaats zitten te schuiven, met hun krant ritselen, op hun laptop tikken. De trein schokt en waggelt de bocht om, gaat langzamer rijden voor een rood sein. Ik probeer niet op te kijken, ik probeer door te lezen in de gratis krant die ik bij binnenkomst op het station uitgereikt heb gekregen, maar de woorden vervagen voor mijn ogen en niets kan mijn aandacht vasthouden. In gedachten zie ik nog steeds dat eenzame hoopje kleren naast de spoorbaan liggen.

Avond

Het mixdrankje gin-tonic bruist omhoog over de opening van het blikje als ik het naar mijn mond breng voor een slok. Scherp en koud, de smaak van mijn allereerste vakantie met Tom, in een vissersdorpje aan de Baskische kust in 2005. ’s Ochtends zwommen we een kilometer naar het eilandje in de baai, we vreeën op een van de verborgen strandjes; ’s middags zaten we in een bar, sterke, bittere gin-tonics drinkend, naar zwermen strandvoetballers te kijken die met 25 tegen 25 wedstrijden speelden op het zand dat bij laag tij droogviel.

Ik neem nog een slok, en nog een; het blikje is al halfleeg, maar dat geeft niet, ik heb er nog drie in de plastic tas bij mijn voeten. Het is vrijdag, dus ik hoef me niet schuldig te voelen dat ik in de trein zit te drinken. TGIF. Nou wordt het leuk.

Het wordt een mooi weekend, zeggen ze. Zonneschijn, wolkeloze luchten. Vroeger zouden we misschien naar Corly Wood zijn gereden met een picknickmand en de kranten, de hele middag op een deken in het vlekkerige zonlicht wijn drinken. Of anders barbecueën in de achtertuin met vrienden, of naar de Rose om in de tuin te gaan zitten, ons gezicht rood aangelopen van de zon en de alcohol naarmate de middag verstreek, en dan arm in arm naar huis zwalken en op de bank in slaap vallen.

Zonneschijn, wolkeloze luchten, niemand om mee te spelen, niets omhanden. De manier van leven zoals ik dat op dit moment doe, is lastiger in de zomer, met al dat daglicht, te weinig bescherming van de duisternis, iedereen is op pad en overduidelijk overdreven gelukkig. Heel vermoeiend, en je houdt er een rotgevoel aan over omdat je niet meedoet.

Het weekend strekt zich voor me uit, 48 lege uren om te vullen. Ik til het blikje op naar mijn mond, maar er zit geen druppel meer in.

Paula Hawkins, Het meisje in de trein, A.W. Bruna, 360 p., 19,95 euro