Voorgeproefd: De doos

Barend Vossen, zoon van een vermeende collaborateur uit de Tweede Wereldoorlog, wordt dood aangetroffen in zijn huis. Moord of zelfmoord? Even later wordt Robert Dewilde, zoon van een verzetsheld, neergeschoten aan de Damse Vaart. Een familievete? Onenigheid over een erfenis? Of een koelbloedige afrekening? Het geheim bevindt zich in een doos in Elounda op Kreta, waar destijds de serie ‘Who pays the ferryman?’ werd gedraaid. Of speelt er nog een ander motief? ‘Alleen ik weet het…’

Ik zit op het terras van taverne Delmar aan de haven van Elounda. In de schaduw van de luifel staat een doos. Het is er verstikkend heet, de bries die van over zee komt aangewaaid lijkt afkomstig van een reusachtige haardroger. Ik transpireer sinds ik uit de taxi ben gestapt die me hiernaartoe heeft gebracht. De man tegenover me steekt zijn hand op naar de dienster, een slanke jonge vrouw met een aanstekelijke glimlach. Hij bestelt twee nieuwe glazen lokaal bier. Ik neem een koekje uit het schaaltje, gooi het in het heldere water van de baai, dat mag blijkbaar want de dienster doet het ook geregeld. Nog geen vijf seconden later vechten tientallen vissen om een hapje in een kolkende wirwar van gestroomlijnde zilveren lijven.
‘Ik begrijp nog altijd niet waarom je me hier naartoe hebt gehaald.’
De man, ik schat hem een jaar of zestig, neemt de glazen aan die de dienster aanreikt. Zijn kortgeknipte haar, diep getaande huid en smetteloos witte hemd geven hem een zekere autoriteit. Ik heb het gevoel dat ik tegen mijn vader aan het spreken ben. Er straalt ook veel rust van hem af. Een stijlvolle oudere man. Om zijn hals hangt een gouden ketting met een hanger in de vorm van een dubbele bijl, een oeroud Kretenzisch symbool voor regeneratie.
‘Daar kom je wel achter.’
Hij wijst naar de doos, zet zijn lippen aan het glas, nipt van het ijskoude bier. Ik volg zijn voorbeeld omdat ik niet goed weet wat te zeggen. De man heeft mijn vlucht betaald, een hotelkamer gereserveerd in een vijfsterrenhotel en een niet onaardig bedrag op mijn rekening overgeschreven. Ik gooi nog een koekje in het water, wacht op de hongerige vissen. Het is mijn eerste keer op Kreta, het mythische eiland van de Minotaurus. Ik herinner me het Labyrint van koning Minos en de spectaculaire ontsnapping van Daedalus en Icarus die met behulp van zelfgemaakte vleugels de zee probeerden over te steken uit de les geschiedenis. Ik herinner me eveneens vaag ‘Who pays the ferryman?’, het lievelingsboek van mijn moeder, gebaseerd op een succesvolle Britse televisieserie die zich grotendeels in Elounda afspeelde.
‘Wie ben je eigenlijk?’
‘Iemand die het goed met je meent.’
‘Woon je hier al lang?’
‘Bijna zesenveertig jaar.’
Ik knik terwijl ik de geschatte leeftijd in mijn hoofd bijstel. Hij merkt de verbazing op mijn gezicht.
‘De meeste mensen zeggen dat ik er jonger dan zeventig uitzie’, zegt hij met een melancholische glimlach. ‘Het ligt aan de voeding: geroosterde vis en olijfolie. De gemiddelde leeftijd op Kreta is de hoogste van heel Europa.’
Hij heft het glas, drinkt en neemt een koekje uit het schaaltje. Ik kijk over zijn schouder. Mijn oog valt op een gebouw aan het eind van de kade. Op de gevel staat Taverne Ferryman. Ik schud mijn hoofd.
‘Scheelt er iets?’
‘Nee.’
Ik wend mijn blik af van de gevel, bekijk de doos die voor me staat aandachtig. De hoeken van het deksel zijn versterkt met zilverkleurig metaal, het gemarmerde karton doet me denken aan de kaft van een ouderwets register. De doos verkeert in een prima staat, hoewel ze volgens mij redelijk oud is.
‘Wil je iets eten?’
Ik kijk op mijn horloge. Het is tien over een, mijn maag knort al een tijdje. De meeste mensen op het terras zijn aan het eten.
‘Er is rode snapper en zeebaars’, zegt hij.
Ik zou het liefst de doos openmaken en eindelijk ontdekken waarom ik halsoverkop naar Kreta ben gevlogen, maar het vooruitzicht op een portie geroosterde zeebaars maakt me week en zwak. Ik zeg ja. Mijn gastheer drinkt zijn glas leeg, wenkt de dienster, vraagt de rekening. Ik gooi nog een koekje in het water, drink op mijn beurt mijn glas leeg, pak de doos en volg hem naar een restaurant een eindje verderop waar de flamboyante eigenaar, een kale vijftiger met een weelderige snor, ons met open armen verwelkomt. Hij wisselt een paar woorden met mijn gastheer. Ik versta geen Grieks, maar dat hoeft niet om te weten waarover ze het hebben. In de koeltoonbank voor het restaurant liggen een tiental vissen. Mijn gastheer wijst er een aan, de eigenaar knikt uitbundig en begeleidt ons naar een tafeltje op een ponton dicht bij het water.
‘De zeebaars is vannacht gevangen. Wil je er frieten bij?’
‘Graag.’
Ik zet de doos bewust op het tafeltje naast dat van ons om er niet voortdurend mee geconfronteerd te worden. Mijn gastheer vraagt wat ik wil drinken. Ik zeg wijn. Het klinkt niet erg gretig. De nabijheid van de doos maakt me onrustig. Ik wil weg, maar kan niet meer terug. Hij lijkt mijn gedachten te raden.
‘Ik zal je niet langer ophouden dan nodig, maar het is beter dat je eerst eet voor je de doos openmaakt.’
‘Waarom?’
‘Omdat het een tijdje zal duren voor je alles gelezen en bekeken hebt.’



Pieter Aspe, De doos, Manteau, 320 p., 24,99 euro

Metro schenkt tien exemplaren van dit boek weg via deze wedstrijdpagina.