Nieuwe definitie van gezondheid in de maak

De World Health Organisation (WHO) definieert gezondheid als een toestand van complete welbevinden, zowel lichamelijk als geestelijk en sociaal. Deze definie is eigenlijk niet meer van deze tijd, want zo is bijna niemand nog gezond.

Machteld Huber, voormalig huisarts en onderzoekster, ontwikkelde samen met de Gezondheidsraad en ZonMw een nieuwe definitie van gezondheid met veerkracht en zelfredzaamheid als uitgangspunten. In haar proefschrift dat ze morgen verdedigt aan de Universiteit Maastricht, beschrijft ze hoe ze tot de nieuwe definitie komt. “Gezondheid als het vermogen om zich aan te passen en een eigen regie te voeren, in het licht van de fysieke, emotionele en sociale uitdagingen in het leven.”

“Het verschil met de definitie van de WHO is dat in dit concept de potentie wordt benadrukt om gezond te zijn of te worden, zelfs als er sprake is van ziekte. Daarbij zijn persoonlijke groei en het vervullen van persoonlijke doelen in het leven net zo belangrijk.”

In de afgelopen twee jaar toetste Huber het concept bij patiënten, behandelaren en beleidsmakers en de definitie werd positief onthaald. Om het concept te operationaliseren introduceerde ze het begrip ‘positieve gezondheid’ dat bestaat uit 6 dimensies waaraan je gezondheid kan aflezen: lichamelijk en mentale functies, believing, spirituele dimensie, kwaliteit van leven, sociaal-maatschappelijke participatie en dagelijks functioneren.

Uit haar onderzoek blijkt dat beleidsmakers, artsen en onderzoekers voornamelijk naar de lichamelijke functies kijken, terwijl patiënten alle dimensies even belangrijk vinden.