Voorgeproefd – Het jaar van de gelukzoekers

De volgende ochtend stond Randeep al om kwart over drie – wakker, gewassen en aangekleed – in de keuken. Eerst gooide hij de oude wierook weg en stak toen een nieuw staafje aan. Terwijl hij zijn handen bij de gaspit warmde, prevelde hij een snel gebed en ging toen klaarzetten wat hij nodig had: koekenpannen, deegroller, boter en deeg uit de koelkast en een kop bloem uit de blauwe ton. Hij bestoof het aanrecht met bloem, trok een stukje van de koude bruine deegbal af en maakte het zacht door het tussen zijn handpalmen te wrijven. Hij had iets meer dan een uur om zestig roti’s te bakken.

Hij nam de tijd en begon de deegballetjes methodisch uit te rollen. Vier balletjes boven, omdraaien, vier balletjes erbij, een greep bloem, aan elke kant nog drie balletjes en dan bakken. Hij floot een beetje voor zich uit, ook al begon zich in zijn bovenarmen een doffe pijn te verspreiden. Het huis kwam tot leven: wekkerradio’s die afgingen, een kraan die werd opengedraaid. Hij versnelde zijn tempo, en toen de roti’s gebakken en ingepakt waren, smeet hij de koekenpannen in de gootsteen voor de persoon die die avond afwasdienst had. Hij zette vier grote stalen pannen met water op het fornuis en draaide het vuur hoog. Hij voegde theezakjes, kruidnagel, venkelzaad en suiker toe, en terwijl alles kookte, pakte hij de vijf thermoskannen en de twaalf tupperwarebakjes die op de vensterbank lagen opgestapeld. Op elk bakje stond met viltstift een naam geschreven, in het Punjabi. Hij pakte nog een extra bakje voor zijn nieuwe kamergenoot Tochi, en schepte er met een lepel wat aardappelsabzi uit de koelkast in. Toen hij met een zesliterpak melk naar het fornuis liep, kwam Gurpreet de keuken in, met het bovenstuk van zijn werkbroek half los. Hij was bezig om zijn tulband vast te pinnen.

‘Helemaal klaar? Ik dacht dat je misschien wel weer hulp nodig zou hebben.’

Randeep kreeg een kleur, maar hij concentreerde zich op het gieten van de melk in de pannen.

‘Maak de emmer schoon nadat je je gewassen hebt, acha?’ vervolgde Gurpreet en hij liep naar de tupperwarebakjes. ‘Hier heb je geen bedienden.’

Hij wist zeker dat hij de emmer had schoongemaakt, en zijn familie had nooit bedienden gehad. Maar hij hield zijn mond. Hij keek alleen maar toe hoe Gurpreet sabzi uit de andere bakjes – ook die van Randeep – in zijn eigen bakje schepte. Hij vroeg zich af of hij dit bij iedereen deed, of alleen maar als het Randeeps beurt was om roti’s te maken.

‘Waar komt je nieuwe vriend vandaan?’

Randeep zei dat hij dat niet wist, dat hij meteen was gaan slapen.

‘Zijn naam?’

‘Tochi.’

‘Achternaam, sukkel.’

Randeep dacht even na en haalde zijn schouders op. ‘Heeft hij niet gezegd.’

‘Hmm. Vreemd.’

Randeep zei niets, had geen idee waar Gurpreet op uit was, en stond zwijgend te wachten tot alles weer aan de kook was. Hij had het ongemakkelijke gevoel dat er iemand naar hem keek. En inderdaad, Gurpreet stond hem bij de koelkast nog steeds aan te staren.

‘Bhaji?’ vroeg Randeep. Gurpreet gromde, leek uit zijn trance te ontwaken en liep weg. De thee begon te sissen en Randeep draaide snel het gas uit.

Al snel klonken overal in huis stemmen, voetstappen, wc’s die werden doorgetrokken en aansporingen om op te staan. Met een rugzak over hun slaperige schouder kwamen ze in optocht naar beneden en pakten ze hun lunchtrommel van het aanrecht; daarna prevelden ze een haastig gebed bij het wierookstaafje en liepen ze naar buiten, het koude ochtendduister in, in twee- en drietallen, steeds tien minuten na elkaar. Randeep zocht naar Tochi, maar die was waarschijnlijk al weg, dus vertrok hij maar weer samen met Avtar. Voordat hij de deur uit ging, zette hij met het aan de muur bevestigde potlood nog een grote dikke vink achter zijn naam op de corveelijst.

voorgeproefd_FACEBOOK_gelukszoekers

Op zoek naar een ander genre boek? Check alle voorpublicatie hier!