Voorgeproefd: Wie niet horen wil…

Een weggelopen tiener is vermoord. Doodgemarteld. Verminkt. In de mond van het slachtoffer zit een stukje krant, een cynische groet aan de onderzoekers: ‘Wie niet horen wil, moet voelen…’ Nog voordat het team de woorden kan ontcijferen, verdwijnt een jong meisje. Hoofdinspecteur Georg Stadler voelt aan alles dat het niet bij één moord zal blijven en krijgt opnieuw hulp van psychologe Liz Montario, die gespecialiseerd is in het analyseren van boodschappen van moordenaars. Maar Montario heeft het moeilijk. Ze moet haar aandacht over twee zaken verdelen. En haar vorige samenwerking met Stadler, de zaak van de Ripper-moorden waarin uiteindelijk haar broer de dader bleek, heeft diepe wonden geslagen.

In de verte blafte een hond. Het klonk gedempt, onwerkelijk. Jonathan Geissler deed zijn ogen open. Grove planken, in de kieren zat modder en stro. Hij draaide zijn hoofd om maar stokte in de beweging, verlamd door een hevige pijn in zijn voorhoofd.

Verdomme nog aan toe! Waar ben ik? Waar komt dat helse gezoem in mijn hoofd vandaan?

Jonathan deed zijn ogen dicht en wachtte tot de pijn zakte. Toen probeerde hij het opnieuw. Een heel kleine beweging maar. Het gehamer in zijn hoofd begon meteen opnieuw, maar hij beet op zijn tanden. Toen hij zijn bovenlichaam bewoog, stroomde er een golf van stekende pijn door hem heen, alsof zich duizend spijkers in zijn vlees boorden. Hij kreunde en bekeek zichzelf ongelovig. Hij was naakt, zat volledig onder het vuil en zijn huid was bezaaid met blauwe plekken en vreemde wondjes. Toen Jonathan zijn linkerhand zag, kwam de herinnering in één klap weer bij hem boven.

Nee!

Een panische angst overviel hem. Opgewonden keek hij om zich heen, zonder op de pijnen te letten die zijn gekwetste lichaam hem bij iedere beweging bezorgde. Hij was nog steeds in het schuurtje en lag op een stellage van planken, een soort zelfgetimmerde bank. Rechts langs de muur lag zorgvuldig opgestapeld brandhout dat de geur van vers gehakt beukenhout verspreidde. Ervoor stond een mand met aanmaakhoutjes. Boven een werkbank hing ouderwets gereedschap, een reusachtige ijzeren tang, een versleten hamer, een paar schroevendraaiers en een rol roestig draad. Op het werkblad lagen vergeelde kranten. Naast het rek met gereedschap liet een oud raam met roeden spaarzaam licht door. Het glas was dof van het stof en de laagstaande zon liet het web dat een spin voor het raam had geweven goudgeel schitteren. Midden in het schuurtje stond een eikenhouten balk die het gammele dak ondersteunde en met roodbruine vlekken was besmeurd. Hetzelfde gold voor het hakblok in de hoek en de kling van de bijl die erin stak.

Jonathans handen begonnen hevig te beven, hij verstarde en de tranen sprongen hem in de ogen.

Lieve God, help me hier uit!

Hij ging op zijn zij liggen, trok zijn knieën op tot zijn kin en sloeg zijn armen om zijn benen. Iedere beweging veroorzaakte bijna ondraaglijke pijn, maar het troostte hem om zo te liggen. Hij huilde zacht. Buiten was het weer stil, de hond blafte niet meer. Behalve zijn eigen zachte gejammer was er niets te horen.

Opeens stokte hij. Ongelovig maakte hij zijn armen los en strekte hij zijn benen. Voorzichtig stak hij zijn rechterhand omhoog. Geen boeien! Hij bewoog zijn benen. Ook die waren vrij. Waarom was hem dat niet meteen opgevallen? Wat was er gebeurd? Had zijn kwelgeest misschien besloten hem los te laten? Was hij vrij?

Jonathans hart ging tekeer. Abrupt ging hij rechtop zitten, wachtte tot de pijn was weggeëbd en probeerde op te staan. Hij moest een paar pogingen doen. Toen hij eindelijk rechtop stond, werd hij duizelig. Hij walgde van de aanblik van zijn eigen bloed, maar dwong zich te blijven staan en kalm in en uit te ademen.

Toen hij niet meer duizelig was, liep hij langzaam naar de deur van het schuurtje. Met iedere stap groeide zijn kracht. En zijn zelfvertrouwen. Hij drukte de deurklink omlaag en tot zijn verrassing ging de deur daadwerkelijk open.

Zo stil als hij kon stapte Jonathan naar buiten. Het erf zag er verlaten uit. De zon stond al achter de boomtoppen aan de horizon. Welke dag zou het zijn? Hoeveel tijd had hij in het schuurtje doorgebracht? In zijn herinnering viel de tijd in gevangenschap niet uiteen in dagen en nachten, maar in kwelling en bevrijding. Hij zou niet kunnen zeggen of hij vele weken of maar een paar uur op deze afgrijselijke plaats had doorgebracht.

Jonathan probeerde zich op het heden te concentreren. Hij voelde droge kleigrond onder zijn blote voeten. Het had lang niet geregend, de aarde smachtte naar water. De lucht was warm, er stond geen zuchtje wind, de stilte was volkomen. Er was geen geritsel in de struiken te horen, geen vogelgekwetter, geen geluid van auto’s in de verte. Hij keek naar rechts. Voorbij de poort lag een smal landweggetje, weinig meer dan een karrenspoor in verdord gras. Behoedzaam zette Jonathan een paar stappen.

Achter hem knerpte iets. Geschrokken stond hij stil. Luisterde.

Niets.

Zijn oren hadden hem vast voor de gek gehouden. Hij mocht zichzelf niet gek maken! Nog een paar passen, dan was hij bij het hek.

Opeens rinkelde een bel – het heldere en schrikwekkend harde geluid verscheurde de stilte van de avond. Ontsteld bleef Jonathan staan. Wat was dat? Een deurbel? Een mobieltje?

Jonathan keek voor zich en ontdekte een dunne nylondraad die vlak boven de grond was gespannen. Zijn hart stond stil.

‘Je dacht toch niet dat ik je zomaar zou laten lopen?’

Jonathan begon te beven. Nee! Alsjeblieft niet! Weer knerpte het achter hem. De stappen kwamen dichterbij. Hij keek naar het hek.

‘Vergeet het maar’, zei zijn kwelgeest. ‘Je weet wat er gebeurt als je ongehoorzaam bent.’

 

Karen Sander, Wie niet horen wil, Manteau, 376 p., 21,99 euro

Metro schenkt tien exemplaren van dit boek weg via onze wedstrijdpagina.