Voorgeproefd: Huid op huid

Kepler kan wisselen van persoon door iemand aan te raken. Meestal beschouwt hij die geleende lichamen als een hobby, maar soms raakt hij aan ze gehecht, zoals aan Josephine. Maar dan wordt zijn geliefde Josephine vermoord, terwijl de moordenaar het op hém, Kepler, had gemunt. Hij begint aan een missie om achter de waarheid te komen en Josephines dood te wreken.

Josephine Cebula lag dood te gaan terwijl ik daar had moeten liggen.

Er zaten twee kogels in haar borst en eentje in haar been, en daar had het bij moeten blijven, dat had genoeg moeten zijn, maar de schutter was over haar stervende lichaam heen gestapt en zocht mij.

Míj.

Ik maakte mezelf klein in het lichaam van een vrouw met dikke enkels en slappe polsen en zag Josephine doodgaan. Haar lippen werden blauw, haar huid zag wit, het bloed gutste uit de schotwond in haar maag, onstuitbaar als een olielek. Bij elke uitademing borrelde er roze schuim langs haar tanden omdat haar longen zich vulden met bloed. En hij, haar moordenaar, was alweer met iets anders bezig, keek spiedend rond, pistool in de aanslag, op zoek naar de overschakeling, de sprong, het contact, de huid; maar het station leek wel een school sardientjes met een haai in haar midden. Voortstrompelend op mijn onpraktische schoenen werd ik onderdeel van de uitwaaierende menigte, maar ik struikelde en viel.

Mijn hand kwam in aanraking met het been van een man met een baard, bruine broek, grijze haren, die misschien, ergens anders, met veel plezier zijn verwende kleinkinderen liet paardjerijden op zijn knie. Zijn gezicht barstte bijna van paniek en nu sloeg hij op hol, beukte onbekenden met zijn ellebogen en vuisten opzij, hoewel hij vast en zeker een goed mens was.

Op zulke momenten werk je met wat je hebt, en hij voldeed. Mijn vingers sloten zich om zijn enkel, en ik

sprong

gleed geluidloos in zijn huid.

Even een onzeker gevoel. Ik was vrouw geweest, en nu was ik man, oud en bang. Maar mijn benen waren sterk en mijn longen groot, en als ik aan een van beide had getwijfeld had ik de overstap niet gewaagd. Vlak achter me schreeuwde de vrouw met de dikke enkels. De schutter draaide zich om, het wapen geheven.

Wat ziet hij?

Een vrouw die is gevallen op de trap, een vriendelijke oude man die haar overeind helpt. Ik draag het witte mutsje van de hadj, ben vermoedelijk een lieve huisvader, en mijn ogen blijven een vriendelijkheid uitstralen die zelfs doodsangst niet kan uitwissen.

Ik hees de vrouw overeind, trok haar met me mee naar de uitgang, en de moordenaar zag alleen mijn lichaam, niet mij, en draaide zich weer om.

De vrouw die ik een seconde geleden nog was geweest, wist haar verwarring voldoende te boven te komen om op te kijken naar mijn gezicht, dat zij niet herkende. Wie was ik? Waarom hielp ik haar? Ze wist het antwoord niet, voelde alleen maar angst, jankte als een wolvin in doodsnood en zette haar nagels in mijn kin toen ze me van zich af duwde, zich losrukte en wegrende.

Boven me, in de vierkante opening van licht boven aan de trap: politie, daglicht, redding.

Achter me: een man met een pistool en donkerbruin haar in een zwart synthetisch jack, die niet aan het rennen of schieten was, maar rondkeek, op zoek naar de huid.

Op de trap: Josephine in een uitdijende plas bloed.

Door het bloed in haar keel klonk haar ademhaling als knettersnoep, amper hoorbaar boven het kabaal in het station.

Mijn lichaam wilde rennen, en de dunne wanden van mijn hart op leeftijd bonkten jachtig tegen mijn magere borstkas. Josephines blik ontmoette de mijne, maar mij zag ze niet.

Ik keerde om. Ging naar haar terug. Knielde naast haar neer, drukte haar hand op de wond bij haar hart en fluisterde: ‘Het komt goed. Maak je maar geen zorgen.’

Een metro naderde vanuit de tunnel. Ik kon bijna niet geloven dat het verkeer nog niet was stilgelegd. Maar het eerste schot was nog geen halve minuut geleden gelost, en het zou haast even lang duren om het voorval na te vertellen als om het mee te maken.

‘Het komt goed’, loog ik zachtjes in het Duits tegen Josephine, fluisterend in haar oor. ‘Ik hou van je.’

Misschien zag de bestuurder van de naderende metro het bloed op de trap niet, of de vrouwen die hun kinderen dicht tegen zich aan drukten en zich probeerden te verschuilen achter grijze pilaren en lichtgevende verkoopautomaten. Of misschien zag hij het allemaal wel, maar was hij zo door de situatie overdonderd dat hij, als een egel voor een naderende betonwagen, niet meer in staat was zelf na te denken, waardoor de routine het won van zijn eigen initiatief en hij maar gewoon afremde.

Geconfronteerd met sirenes boven en een metro beneden hem, wierp de man met het pistool nog één blik door het station, zag niet wat hij zocht, draaide zich toen om en maakte zich uit de voeten.

De metrodeuren gingen open en hij stapte aan boord.

Josephine Cebula was dood.

Ik volgde haar moordenaar de metro in.

Claire North, Huid op huid, Nieuw Amsterdam, 384 p., 24,99 euro

Metro schenkt tien exemplaren van dit boek weg via onze wedstrijdpagina.